Annelie van Steenbergen,
tekst en illustraties [0]
Januari 2026
‘Reizen naar elkaars “werelden” stelt ons in staat om te zijn door elkaar lief te hebben’
María Lugones
Twee Ratten
Soms geeft een quote op een scheurkalender aanleiding tot wat langer peinzen over een bepaald onderwerp. ‘Reizen naar elkaars “werelden” stelt ons in staat om te zijn door elkaar lief te hebben’ [1] is daar een voorbeeld van. Dit citaat van de Argentijnse feministische filosoof María Lugones (1944-2020) verwijst naar een artikel waarin ze het begrip ‘wereldreizen’ introduceert als mogelijkheid, of beter gezegd noodzaak, om de veelvormigheid binnen en tussen culturen, rassen, seksen en religies te begrijpen en te beleven en daardoor lief te hebben. ‘Doordat we verschillende overlappende ‘werelden’ bewonen en meerdere ‘talen’ spreken hebben we toegang tot verschillende perspectieven’, vermeldt de achterzijde van het kalenderblad. Wie de ‘taal’ van de ander niet genoeg spreekt, kan buitengesloten worden of zich terugtrekken in de eigen bubbel, maar volgens Lugones hoeft niet elk woord vertaald te worden. Dubbelzinnigheid kan blijven bestaan. ‘Door de ander als veelzijdig te omarmen, kunnen we streven naar een inclusievere samenleving’.
Bij Lugones gaat het in eerste instantie vooral over vrouwen, de kolonialiteit van gender. De vraag is of we dit misschien ook kunnen toepassen op de kloof tussen arm en rijk of tussen platteland en stad. Dierenfabels zijn vaak een geschikt speelterrein om te filosoferen over dat soort menselijke varianten.
De vrijheid van de arme rat volgens Aesopus
Een zo’n fabel, die door alle tijden heen is bewerkt en opnieuw verteld, is de fabel over twee ratten van de beroemde Griekse verteller Aesopus[2] (620-500 v.o.j.). In deze fabel is er behalve de tweedeling tussen stad en platteland de tegenstelling tussen rijk en arm. Het gaat over een welgedane vette rat, die in de kelder van een rijk man resideert en een mager scharminkel, dat er volgens Aesopus meelijwekkend uitziet en in een holletje buiten in het veld verblijft. Het is duidelijk dat hier de rijkaard tegenover de arme sloeber wordt gesteld, en uit de introductie van het verhaaltje blijkt al wie de gunstigste positie heeft. Volgens zowel Aesopus als de rat die in soberheid leeft is het namelijk veel beter en aangenamer om in armoede te leven en vrij te zijn dan in rijkdom en daarbij zorgen te hebben. In de fabel wordt deze stelling aan de hand van een ontmoeting tussen de twee onderbouwd.
‘Op een dag ging de vette, dikke rat zich ontspannen in het veld en terwijl ze daar was, kwam ze op haar weg een andere rat tegen, die mager en beklagenswaardig was.’

Die ontvangt haar ondanks haar armoede gastvrij en trakteert de ander, die normaal gesproken niets te kort komt en nu na de wandeling best trek heeft, op vruchten en graan uit haar bescheiden voorraad en geeft haar te drinken van haar beetje water. Als ze zo gegeten en gedronken hebben, nodigt de vette rat haar nieuwe vriendin uit voor een tegenbezoek:
‘Kom met me mee en ik zal je heel ander voedsel geven.’
Samen gaan ze naar de stad en arriveren in de woonkelder van de vette rat, waar een overvloed aan heerlijkheden wordt bewaard. Een luilekkerland van alles wat je kunt bedenken. Je kunt je voorstellen dat de magere rat niet weet wat ze ziet, en als de vette rat haar het dure voedsel aanbiedt en zegt: ‘Wees vrolijk en eet en drink met plezier’, laat ze zich dat geen twee keer zeggen. Dan, terwijl ze zich te goed doen aan de heerlijkste spijzen en dranken, komt de keldermeester de trap af.
‘De vette rat rende meteen naar haar holletje, waar ze zich altijd verschool. De andere, armoedige rat wist niet waar ze heen moest vluchten, maar verstopte zich met angst en beven achter de deur.’

De keldermeester graait tussen de etenswaren naar wat van zijn gading is en hij is nog niet vertrokken of de vette rat komt alweer tevoorschijn. Ze roept haar trillende vriendin toe vooral niet bang te zijn en zoveel lekkers te eten als ze wil. De arme rat piekert er niet over, ze heeft al genoeg gezien. In elke hoek, achter elke druif, achter elke kaas vreest ze gevaar. Ze smeekt haar gastgever haar te helpen hier weg te komen,
‘want ik eet liever gras en graankorrels en leef liever in vrijheid dan dat ik altijd bang ben en bovendien verdriet heb.
Want jij zit hier in groot gevaar en leeft in onzekerheid.’
Vervolgens besluit Aesopus op de manier waarop hij ook begonnen is:
‘Daarom is het een vrolijkstemmende zaak om armoedig te leven en vrij te zijn, want de arme mens leeft in zekerheid en in grotere vrijheid dan de rijke.’
Het geluk van een stadsrat en een veldrat
Deze fabel kent vele varianten. Bijvoorbeeld Jean De La Fontaine[3] , die in de zeventiende eeuw veel fabels herschreef en op rijm zette, laat in De Stads-rat en de Veld-rat in het midden hoe de twee zo verschillende diertjes elkaar ontmoet hebben. Ook van het bij Aesopus in het oog springende onderscheid tussen vet en mager, tussen rijk en arm is hier geen sprake. Zijn gedicht begint zo:
‘Zeker ratjen uit de stad
Noodde een veld-rat op het kluifjen
Van een duifjen,
Met een sneedtjen ham of wat.’
Het verhaal speelt zich in dit geval af in de chique eetzaal van een gegoede familie. Op de tafel, die bedekt is met een Smyrna tapijt, bevinden zich de resten van een overvloedige maaltijd. Ze zijn net begonnen met schransen, als ze gestoord worden door geluiden van buiten de deur. De stadsrat schiet weg en de over al zijn leden bevende veldrat volgt hem zo goed en zo kwaad als hij kan.
Als het weer stil wordt in de zaal sluipen ze uit hun schuilplaats. De stadsrat probeert zijn vriend zover te krijgen dat hij de maaltijd hervat. De veldrat is echter niet over te halen. In tegenstelling tot de editie van Aesopus vraagt de veldrat hier de stadsrat op tegenbezoek bij hem thuis op het vredige platteland:
‘’t Zijn geen beten
Van een vorstendisch, als hier:
Maar geen mensch die me overvalt.
Goeden avond! Geen vermaken
Kunnen smaken,
Door gestaâge vrees vergald!’
Een uitgesproken zedenles ontbreekt. De lering dat arm op het platteland te verkiezen is boven welgesteld in de stad is vervangen door de persoonlijke voorkeur van de ratten, de stadsrat houdt nu eenmaal van reuring en een goede maaltijd, de veldrat geeft de voorkeur aan rust en veiligheid.
Een actuele kanttekening bij De La Fontaine’s hervertelling
Nu is daar wel een kanttekening bij te plaatsen. Tegenwoordig is het voor een veldrat ook niet altijd een pretje om buiten te wonen. De gevaren zijn van een andere orde, toch zijn ze er wel degelijk. Ook in de open omgeving hebben ratten veel vijanden. Marters, honden, katten en roofvogels jagen graag op die diertjes. En net als hobbykippen eten ze wormen, drinken regenwater en scharrelen over de grond, wat kan leiden tot opname van het schadelijke PFAS. Bovendien is het oppervlaktewater vaak sterk vervuild, met infectieziektes als gevolg. Daarentegen leven ratten in de stad behalve in het riool ook in kelders of op zolders, lekker warm, droog en uit de wind. De gevaren voor de stadsrat worden door de veldrat wat overdreven. Het doet denken aan de huidige controverse tussen inwoners van stad en platteland.
Uit recent onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP)[4] blijkt dat de vermeende kloof tussen stad en platteland minder groot is dan je zou verwachten uit bovenstaande fabels. De structurele ongelijkheid in ons land hangt minder samen met de woonplaats dan met de sociale verschillen die voortkomen uit een gebrek aan hulpbronnen zoals een sociaal netwerk, inkomen en financieel vermogen of een goede gezondheid. ‘De verschillen binnen gebieden zijn altijd groter dan de verschillen tussen die gebieden’, vermeldt het rapport. Volgens de onderzoekers is de nadruk op die zogenaamde kloof tussen stad en platteland gevaarlijk, want ‘hoe meer we doen alsof de kloof bestaat, hoe meer die werkelijkheid wordt.’ Het kan aanzetten tot vijanddenken, wantrouwen en spanningen: hoe meer we de verschillen zien en benadrukken, hoe meer ze tot leven komen. De onderzoekers wijzen er op dat er juist bínnen woonplaatsen en regio’s grote ongelijkheden bestaan in levenskansen en in gevoelens over de stand van de samenleving en de politiek. Ook binnen de steden dus.
Hedendaagse kosmopolitische stads- en veldmuizen
En zo komen we weer terug bij filosoof Maria Lugones en haar overlappende ‘werelden’. Verhelderend daarvoor is de aanpassing van de fabel van de twee ratten in onze eigen tijd. In de hedendaagse klassieker ‘Stadsmuis en Veldmuis’ van Kathrin Schärer[5] spelen in plaats van de weinig geliefde, zeg maar gerust gehate ratten, twee schattige muisjes de hoofdrol. In dit prachtig geïllustreerde kinderboek wordt de tegenstelling tussen rijk en arm, stad en platteland overbrugd door de ontmoeting en uitwisseling op basis van gelijkwaardigheid.
In het kort komt het hier op neer: Stadsmuis gaat op bezoek bij Veldmuis. Van alles waar Veldmuis hem mee laat kennismaken schrikt hij. Van de reusachtige koeien, van de stank in de varkensstal, de agressieve haan, de prikkende stoppels op het korenveld… Hij staat echter ook vol bewondering hand in hand met zijn vriendinnetje te genieten van de schitterende sterrenhemel en hij laat zich het simpele maaltje van noten en bessen goed smaken in haar gezellige onderkomen. Knus tegen elkaar aan vallen ze daarna in slaap. De volgende ochtend voor dag en dauw neemt Veldmuis hem mee om naar de zonsopgang te kijken.
‘Oh, wat prachtig!’ zuchtte Stadsmuis.
‘Het is mooi hier bij jou. En zo anders!
Bij jullie komt de zon uit de grond omhoog.
Bij ons komt hij achter de flat vandaan!
Ga met me mee, dan laat ik je zien
waar ik leef.’
Het laat zich raden dat Veldmuis zich in de grote stad even onwennig voelt als Stadsmuis op het platteland. Overal mensen, stank, lawaai, alles lijkt wielen te hebben, de etensresten liggen voor het oprapen op straat. In de supermarkt wordt ze onpasselijk van het felle licht en het lawaai en ze eet zoveel dat ze ziek wordt. Als een angstaanjagende ontmoeting met een hond haar teveel wordt, brengt Stadsmuis haar snel via de sfeervol verlichte straten naar zijn slaapplaats bij de rivier. Daar woont hij samen met een horde andere muizen. Veldmuis wordt hartelijk door iedereen ontvangen en ze vieren feest tot diep in de nacht. In de vroege ochtend neemt Stadsmuis haar mee naar de kade om samen naar de eerste boten te kijken die langzaam tuffend onder de brug door varen, omringd door slierten nevel.
‘O, wat prachtig!’ zuchtte Veldmuis. Ze rilde een beetje.
‘Het is mooi hier bij jou. Maar nu wil ik terug naar huis,
naar mijn warme nestje in het hooi. Want jouw leven
is hier en mijn leven is daar. En jouw leven is mooi
voor jou, maar mijn leven is mooi voor mij.’
Toen gaven ze elkaar een stevige knuffel.
Het boek eindigt met de belofte gauw weer bij elkaar op bezoek te gaan. Bij het afscheid draait ze zich wel tien keer om, om te zwaaien. En Stadsmuis zwaait terug.
Een wijze levensles: liefde onthult pluraliteit!
Dit is een hoopgevend einde. Reizen naar elkaars ‘werelden’ stelt ons in staat om te zijn door elkaar lief te hebben, stelt Lugones. Voor Lugones wordt liefde niet gezien als versmelting en uitwissing van verschillen. Het is daarmee juist onverenigbaar. Liefde onthult pluraliteit.

Wie zich openstelt voor de wereld van de ander en probeert te begrijpen hoe de anderen zichzelf en ons zien in hun wereld kan leren de ander te waarderen en vriendschap te sluiten, zonder de eigen opvattingen en leefwijzen op te leggen of ze aan te merken als beter of hoger, als te verkiezen boven die van de ander. Volgens Lugones ‘kunnen we ons op ons gemak voelen in verschillende werelden door de taal van die wereld te spreken, er subjectief gelukkig te zijn, persoonlijke relaties aan te gaan en gemeenschappelijke interesses te delen.’
Op ons gemak zijn is echter niet genoeg om een ander te begrijpen: daarvoor is ‘speelzucht’ nodig, zegt Lugones. Dat wil zeggen een open houding die het mogelijk maakt nieuwe ideeën te creëren en te accepteren zonder regels of barrières. Voor de twee muizen, alias de ratten, is het dus mogelijk in elkaars werelden te verkeren met een open blik, in vriendschap en liefde, zonder daarbij de eigen identiteit op te hoeven geven.
Zo nodigt zo’n op het oog eenvoudige dierenfabel uit om je eigen leven te bezien en je af te vragen wiens talen je kunt leren en in wiens werelden je je zou willen en mogen begeven. De wijde wereld van de fabels is daarvoor een goed begin.
Notes
[0] Met dank aan Harald Vlugt voor het gebruik van zijn archief
[1] María Lugones in “Playfulness, ‘World’-Travelling, and Loving Perception”, Filosofie Scheurkalender 2025, maandag 20 oktober. Uitg. Filosofie Magazine, Nijmegen.
[2] Het leven en de fabels van Esopus. Teksteditie met inleiding, hertaling en commentaar door Hans Rijns en Willem van Bentum. Hilversum, Verloren, 2016, p. 175.
[3] Jean de La Fontaine (nagevolgd door J.J.L. ten Kate) – De fabelen van La Fontaine – Amsterdam, Gebroeders Binger, 1875 (?) (1e druk). Geïllustreerd met platen en vignetten door Gustave Doré. Fabel IX, eerste boek, pp. 27-29.
[4] Op 31 december 2025 geraadpleegd van https://www.scp.nl/actueel/nieuws/2025/06/05/ongelijkheid-zit-in-je-sociale-klasse-niet-in-je-woonplaats
[5] Schärer, K. (2009). Stadsmuis en Veldmuis. (vertaling L.M. Niskos). Rotterdam: Lemniscaat. oorspronkelijke titel: Die Stadtmaus und die Landmaus.
