Annelie van Steenbergen,
tekst en illustraties
De Raaf en de Vos
Als kind dacht ik een tijdje dat ik mooi kon zingen. In mijn eigen oren klonk mijn gezang aangenaam en zuiver. Blijkbaar was niemand van mijn familie het met me eens, want nooit kreeg ik een complimentje te horen. Iets van ‘Goh, wat zing jij leuk, zeg! Wil je niet op kinderkoor?’ Mijn moeder, tante en oma zongen vaak en mooi liederen uit Schubert’s Liederbuch, waarbij mijn moeder begeleidde aan de piano. De concurrentie was dermate groot dat mijn povere gekweel erbij in het niet viel. Geen wonder dus dat ik me de positie van de raaf in de fabel De Raaf en de Vos [1] goed kon indenken. Ik had diep medelijden met de arme raaf, die zo onfortuinlijk voor gek was gezet. Ik had zelf die raaf kunnen zijn.
Veel mensen kennen deze fabel, waarin een raaf zich laat beetnemen door een gewiekst vosje. Niet alleen omdat het verhaal veel gebruikt wordt in het onderwijs. Ook in kinderboeken en in hervertellingen voor volwassenen wordt het nog steeds graag geciteerd. Mogelijk is het vooral zo succesvol, omdat het al als tweede fabel in de dikke bundel van de beroemde dichter Jean de la Fontaine (1621–1695) staat, meteen na de andere evergreen, de Krekel en de Mier. La Fontaine had deze fabels overgenomen van de Oudgriekse verteller Aesopus (620-500 v.o.j.).
De Raaf en Reinaert de vos van Aesopus is ergens tussen 350 en 500 als vijftiende fabel overgeleverd door een zekere Romulus, die de fabels van het Grieks naar het Latijn zou hebben vertaald. Bij Aesopus en Romulus was het niet de gewoonte om een vos Reinaert te noemen. Die naam kreeg hij pas in de Middeleeuwen naar aanleiding van het populaire epos Van den vos Reynaerde , waarna deze naam in de eerste Middelnederlandse vertaling uit 1485 [2] aan de fabel werd toegevoegd. Romulus leidt de fabel als volgt in:
‘Het overkomt hen die zich laten overladen met de vleierijen van stroopsmeerders en die vleiers geloven, dikwijls dat zij naderhand veel spijt hebben. Hierover vertelt Esopus de volgende fabel.’
En dan volgt het bekende verhaal. De raaf zit in een boom met een groot stuk kaas in zijn snavel. De vos Reinaert heeft daar wel trek in en verzint een list om hem de kaas te ontfutselen. Hij richt zich beleefd tot de raaf en begint hem te paaien met mooie woordjes:

‘O mooie raaf, jij bent van alle vogels de mooiste, want jij hebt de allermooiste veren en je kan buitengewoon goed zingen. Als jij een heldere stem had, was je de allergelukkigste van alle vogels.’
De raaf laat zich vleien door de slimme vos. Eindelijk iemand die zijn talent herkent. Hij opent zijn bek om een demonstratie geven van zijn zangkunst, waardoor de kaas uit zijn snavel valt en Reinaert ermee vandoor gaat. De raaf begrijpt dat hij bedrogen is en blijft verdrietig en gedesillusioneerd achter, vol spijt dat hij zich heeft laten verleiden door de pluimstrijkerijen van de slimme vos.
Aesopus eindigt deze fabel met de volgende moraal:
‘Daarom leert deze fabel ons dat je je niet moet verheugen in de woorden van slechte mensen en dat je ook niet moet houden van vleierij of ijdele roem.’
Later in de tijd gaat La Fontaine een stapje verder dan Aesopus. Behalve dat hij de fabel op rijm zet, overdrijft hij in De Raaf en de Vos de vleierij van de vos tot in het belachelijke. Ten eerste spreekt Reintje de raaf aan met ‘Waarde Heer van Ravenhorst’ en vervolgens uit hij zich in superlatieven en vergelijkt de raaf zelfs met een Fenix, indien zijn stem zich kan meten met zijn rijke verentooi. Een Fenix, de wonderbaarlijke uit het vuur herrezen vogel, vlammend rood met schitterend goud en verheven als een machtige adelaar. De raaf voelt zich zo gestreeld en uitgedaagd dat hij besluit zijn stem te laten horen. Met het bekende gevolg, weg kaas, weg kostelijke prooi.
De vos doet zich te goed aan het lekkere hapje en terwijl hij demonstratief zijn lippen aflikt, wrijft hij de raaf het verlies nog eens goed in. De raaf, die zich al doodschaamt dat hij er in is gevlogen, krijgt gratis advies van de vos:
“Weet, amice! vleiers fleemen
Om hun hoorders beet te nemen.
Zulk een lesjen, bij mijn staart!
Is toch wel een kaashomp waard.”

In tegenstelling tot Aesopus, die de raaf laat treuren door het verlies van zijn kostbare bezit en er verder geen consequenties aan verbindt, laat La Fontaine hem in woede ontsteken en zweren dat hij van zijn leven nooit meer zal luisteren naar vleiers. Deze raaf leert ervan. En La Fontaine eindigt dan met de constatering dat dat weliswaar goed is, maar wel een beetje laat.
Op scholen wordt deze fabel gelezen om kinderen te leren wat een moraal is, een wijze les die je zegt hoe je je goed zou moeten gedragen om niet in de problemen te komen en die het belang uitdraagt van waarden en normen, zoals dat je verstandig en eerlijk moet zijn. We hebben niet alleen empathie en zorgzaamheid nodig, maar ook een gezonde dosis wantrouwen om oplichters en boeven te kunnen herkennen. De wijze les van de Raaf en de Vos lijkt eenvoudig: luister niet naar vleiers, want dat komt je duur te staan. De domme raaf luistert naar de slimme vos en verliest daardoor zijn waardevolle stuk kaas. Duidelijk. Had hij maar niet zo dom moeten zijn. Goede les.
Is het inderdaad zo simpel? Bij nadere beschouwing is het helemaal niet zo makkelijk om die wijze raad in de praktijk te brengen.
In deze fabel is de vos het ondeugende en slimme boefje, dat een glimlach en zelfs sympathie opwekt. De raaf speelt de rol van de domme sukkel die door zijn ijdelheid en zelfoverschatting in de val loopt. Raven hebben sowieso al niet zo’n beste reputatie. Ze zijn het symbool voor onheil en boosheid. Ze worden gezien als een profeet der verdoemenis, voorspellers van dood en ondergang, ze zijn onrein, het zijn echte lijkenpikkers. Daar staat tegenover dat dit lid van de kraaienfamilie door ornithologen wordt beschouwd als een van de intelligentste vogels ter wereld. Ze zijn speels, ze hebben een buitengewoon goed geheugen en ze zijn zelfs in staat gereedschappen te gebruiken, zoals stokjes om voedsel uit holletjes te peuteren of stenen om noten te kraken. Het is ook bekend dat ze kunnen samenwerken door bijvoorbeeld wolven naar een stervende prooi te leiden, zodat ze een hapje mee kunnen pikken als de wolf het kadaver voor ze uit elkaar heeft gereten. Met andere woorden, de raaf is geen sufferdje die je van alles kunt voorspiegelen, hij is alles behalve dom.
Wat kan dan het geval zijn?
In de fabel wordt de raaf, behalve met zijn glanzende verenkleed gecomplimenteerd met zijn stem. De raaf wuift dat niet meteen weg, want hij denkt: dat zou best weleens waar kunnen zijn. In het taxonomische systeem, ooit ontwikkeld door de 18e-eeuwse wetenschapper Carl Linnaeus, zijn de raven immers ingedeeld in de orde der zangvogels. Zangvogels! Logisch dat hij verwacht dat hij inderdaad kan zingen. Alleen is hij er nooit om geprezen en hij twijfelt over zijn talent. De vos is de eerste die zijn begaafdheid lijkt te erkennen en diens vleierij wakkert zijn ambitie aan.

Ja, inderdaad, hij is de bas in het vogelkoor! Met zijn diep, zwaar ‘kròòònk’ levert hij het essentiële fundament voor een volle klank. Hij is een meester in het produceren van allerlei verschillende geluiden, niet alleen van het rauwe ‘kroa-kroa’. Zelfs menselijke spraak bootst hij na. En dat zijn stem nog niet zo helder is, is een leerproces. Oefening baart kunst, toch?
Nu weet onze raaf helaas niet dat de taxonomische indeling niet gebaseerd is op harmonieuze melodische zangkwaliteiten, zoals die van merels en roodborstjes. Bij de indeling gaat het om anatomie en verwantschap, zoals de bouw van de snavel en de structuur van het strottenhoofd, die complexe geluiden mogelijk maakt. Wie zich in de orde der zangvogels bevindt, hoeft dus niet mooi te kunnen zingen. Krassen, ratelen, zacht mummelen tijdens de balts, het is allemaal voldoende om toegelaten te worden tot de orde der zangers. Onze raaf is niet dom, het ontbreekt hem alleen aan voldoende zelfkennis.
Waarom is juist deze fabel zo wereldberoemd? Een belangrijke reden is niet alleen dat je, zoals Aesopus zegt, ‘niet moet luisteren naar de woorden van slechte mensen en niet moet houden van vleierij of ijdele roem’. Het betekent vooral dat je het verschil moet weten tussen vleierij en welgemeende lof. Vleierij creëert een rookgordijn door valse informatie, terwijl authentieke waardering je zelfvertrouwen versterkt. Het verleidelijke is dat vleierij vaak half waar is. ‘Het zou best waar kunnen zijn.’ Om het verschil te leren kennen kunnen we teruggrijpen op het aloude ‘Ken Uzelve’.
Ken Uzelve, het aforisme dat volgens de overlevering in Delphi op de Tempel van Apollo zou hebben gestaan, heeft niet voor niets de tand des tijds doorstaan. Weinig dingen zijn belangrijker en moeilijker dan deze levensles. Had de raaf zichzelf gekend dan was het verhaal anders afgelopen. Als hij zich bewust was geweest van de beperkingen die het ‘raaf-zijn’ inhouden, zou hij ongevoelig zijn voor de overdreven lof. Een raaf kan veel, maar niet alles. Hij is geen wondervogel. Hij zou zijn opgevlogen en had in een andere boom ongestoord van de kaas kunnen genieten.
De ware les van de fabel is dus bij jezelf te rade te gaan en aandachtig en eerlijk naar binnen te kijken, jezelf een spiegel voor te houden. Door in de spiegel te kijken word je geconfronteerd met je eigen tekortkomingen. Het is echter wel de vraag of zelfkennis op die manier überhaupt mogelijk is, afgezien natuurlijk nog van de spirituele betekenis van het aforisme. Veel bekende filosofen hebben er hun hoofd over gebroken. Om te beginnen Socrates. Zijn adagio was: zelfkennis is het begin van alle wijsheid. Hij raadt aan om stapje voor stapje door middel van het stellen van vragen steeds meer inzicht te krijgen. In de praktijk blijkt dat behoorlijk moeilijk. Zelfbedrog, blinde vlekken en emotionele vervorming zijn valkuilen, zoals voor de raaf die denkt groots en spectaculair te zijn. Wil hij echt weten wat de spiegel hem toont? Het vraagt levenslange oefening en pijnlijke inzichten. Volgens Aristoteles kun je jezelf helemaal niet rechtstreeks kennen. Je ziet jezelf altijd in spiegelbeeld, het is een omgekeerde spiegeling van de werkelijkheid. Een ander ziet jou zoals je jezelf nooit kan zien. Met andere woorden, er is altijd een ander voor nodig. En niet zomaar een ander. Het vereist een echte vriend die zegt waar het op staat, zonder bot te worden. Die niet uit beleefdheid zegt wat je graag wil horen, of die een verborgen agenda heeft, zoals onze slimme vos. Goed reageren op eerlijke feedback is trouwens ook een kunst. Zelfkennis vraagt moed, vooral als je ontdekt dat je minder fantastisch bent dan je hoopte.
De moraal van deze eeuwenoude fabel is niet voor twijfel vatbaar: laat je niet manipuleren en inpalmen door vleiers. Een hele opgave, want wie is niet gevoelig voor enige vorm van vleierij. Het is fijn als iemand iets positiefs over bijvoorbeeld je werk zegt, het stimuleert. Aan de andere kant zijn twijfels over de waarheid ook gerechtvaardigd, en noodzakelijk. Klopt dit? Is het gemeend of wordt het gezegd om aardig te zijn of om iets gedaan te krijgen. Vleierij is soms zo subtiel, dat je het niet in de gaten hebt. Een oma, die niet zegt: ‘Wat klinkt dat leuk, wil je niet op zangles?’, en wel ‘Naai jij even deze knoop voor me aan, dat kun jij zo goed.’
Ook in onze tijd is deze fabel actueel. En heus niet alleen in persoonlijke relaties. Denk maar aan politiek en macht, aan reclame en marketing, aan de sociale media waar likes snel gegeven zijn. Overal waar vleierij wordt ingezet loopt een ‘stuk kaas’ gevaar. Dat stuk kaas betekent voor iedereen iets anders, en altijd staan verlies van zelfrespect en eigenwaarde op het spel.
In De Raaf en de Vos is de kaas de katalysator die de zelfkennis van de raaf heeft vergroot. Door het verlies ervan beseft hij dat hij zich in de luren heeft laten leggen, dat is een pijnlijk besef. Het zal hem hopelijk niet nog eens overkomen. Als het goed is heeft hij een transformatie ondergaan. Het ‘Ken Uzelve’ is niet alleen een oproep tot introspectie, het vraagt ook verandering door bewustzijn.
Dit zijn belangrijke levenslessen in een jasje van een lichtvoetig dierenverhaal.
En dat is de reden waarom het lezen en overdenken van fabels nog steeds zowel nuttig is als aangenaam.
Noten
[1] Jean de La Fontaine (nagevolgd door J.J.L. ten Kate) – De fabelen van La Fontaine – Amsterdam, Gebroeders Binger, 1875 (?) (1e druk). Geïllustreerd met platen en vignetten door Gustave Doré. Fabel II, eerste boek, pp. 7-8.
[2]Het leven en de fabels van Esopus. Teksteditie met inleiding, hertaling en commentaar door Hans Rijns en Willem van Bentum. Hilversum: Verloren, 2016, p. 179
