De Krekel en de Mier
Tekst en illustraties: Annelie van Steenbergen
Wat zouden we moeten zonder kunst en cultuur? Het antwoord op deze retorische vraag wordt vooral duidelijk in oorlogssituaties. In stabiele samenlevingen worden kunstwerken vaak gezien als een luxeproduct, maar zodra ze vernietigd of verboden worden blijkt hoe essentieel ze zijn. Met de destructie van monumentale locaties en cultureel erfgoed raak je een bevolking diep in het hart. Eeuwenoude tradities worden vernietigd in een poging een volk zijn tastbare geschiedenis en identiteit te ontnemen. Niet voor niets geven dichters en liedzangers al of niet in het geheim hun verhalen door in de hoop dat tenminste de orale kunst wordt behouden en doorgegeven. Dat kan gaan over fundamentele thema’s zoals angst voor de dood en de zoektocht naar liefde en betekenis, of over de vraag hoe goed te leven. Zelfs kritiek op dictators en machtsverhoudingen kan verstopt worden in kunstuitingen. En evengoed zorgen artiesten voor de broodnodige afleiding en ontspanning in dans en muziek. Kunst en cultuur zijn dus cruciaal voor het emotionele en fysieke welzijn van een bevolking.
Van oudsher werden verhalen al mondeling en zingend overgeleverd, lang voordat ze konden worden opgeschreven. Daaraan hebben we een groot aantal heldensagen, godenverhalen en mythische vertellingen te danken. Geen oorlogsdaad waar dan ook kan daar verandering in brengen. Ook de dierenfabels van Aesopus (620-500 v.o.j.) zijn een voorbeeld van oeroude verhalen, in dit geval met een morele basis, die nog steeds worden doorverteld. Wie kent niet de fabel van de Krekel en de Mier? Zelfs onze allerkleinste kinderen krijgen deze fabel al in tekenfilmpjes voorgeschoteld.
De mier en het sprinkhaantje[1] staat als een van de allerlaatste in de verzameling Aesopische fabels, die ‘Romulus’ rond de vijfde eeuw heeft samengesteld. Zevenenzeventig andere interessante fabels gaan eraan vooraf. Dat juist deze fabel zo bekend is geworden is te danken aan Jean de La Fontaine (1621-1695), die hem als La Cigale et la Fourmi, vertaald als De Krekel en de Mier[2], helemaal vooraan in zijn eerste bundel publiceerde (1668).
Zoals de meeste van Aesopus’ fabels opent ook deze met een wijze les, het promythium, die de lezer goed in de oren moet knopen:
‘Zij leert ons dat het goed is dat men in de zomer verzamelt waar men in de winter goed van leven kan, zoals je kan zien aan deze fabel.’
Hij ondersteunt zijn moraal met het volgende eenvoudige verhaaltje. Een sprinkhaantje komt in de winter naar de mier toe en vraagt haar wat graan om te eten. De mier vraagt hem wat hij zoal gedaan heeft in de zomer. Het sprinkhaantje antwoordt haar dat hij heeft gezongen. De mier raadt hem vilein aan dan maar te gaan dansen in de winter en weigert hem een graankorreltje uit zijn voorraad te geven. Dat is alles.
Behalve dat er nog een slotmoraal volgt, het epimythium:
‘Daarom heeft alles zijn tijd, want wie niet werkt met zijn handen, moet vaak klappertanden.’
Wie niet werkt, zal ook niet eten dus. Hij had ijveriger moeten zijn, moeten sparen voor moeilijke tijden. Het is een fabel over het belang van vooruit denken en hard werken versus luiheid. Jean de La Fontaine heeft er in zijn tijd een mooi gedicht van gemaakt en meteen de moraal een beetje aangepast.

‘Kriek, die heel den zomertijd
Zich met zingen had verblijd,
Zag met schrik de herfst verschenen:
Zelfs geen wormtjen, wáár ze zocht,
Dat den honger stillen mocht…’
De uitgehongerde krekel verwacht dat de mier, nota bene haar buurvrouw, haar wel wat zal lenen uit haar volle voorraad. Het hoeft maar tot de lente en daarna zal ze haar binnen een jaar met rente terugbetalen. Ze krijgt de kous op de kop, want de mier vraagt haar fijntjes wat ze dan zoal tijdens de lange zomer heeft gedaan. La Fontaine drukt het eufemistisch uit: ‘wat mier te wensen liet, lenen was haar zwak juist niet.’ Hij bedoelt uiteraard dat ze gierig is, al wil hij dat niet zo hardop zeggen. Hij laat de krekel antwoorden dat zij dag en nacht uit alle macht trouw gezongen heeft. Dat is nogal wat zou je zeggen, maar de mier is niet onder de indruk. Evenals de mier van Aesopus raadt ze haar spottend aan dan nu maar te gaan dansen. Ook La Fontaine eindigt met een epimytium:
‘Wees niet zorgeloos! Als ge ziet,
Egoïsten helpen niet.
“Goede raad?” – Och, lieve man,
Goede raad, wie eet daarvan?’
In dit laatste couplet valt veel te lezen. Je moet niet zorgeloos zijn, want van egoïsten kun je geen hulp verwachten. Hiermee zegt hij dus met zoveel woorden dat mensen die niet helpen zelfzuchtig zijn. Anders gezegd, ze hebben weinig inlevingsvermogen en houden geen rekening met de gevoelens en nood van anderen. Dat is flinke kritiek. Hiervoor hebben we al gezien dat hij de mier gierig vindt. En bovendien klaagt hij dat er niet betaald wordt voor zijn advies.
Hier zijn we beland bij de vraag waarom Jean de La Fontaine deze fabel zo relevant vond dat hij hem als eerste heeft berijmd en gepubliceerd. Het antwoord daarop kan zijn dat hij zich verwant voelde met de krekel. Hij was zelf een krekel!

La Fontaine werd geboren in een tamelijk welgestelde familie. Zijn vader steunde hem in zijn letterkundige ambities en droeg zijn eigen houtvesterspost op hem over, zodat hij werk en een inkomen zou hebben naast zijn dichterlijke aspiraties. Hij trouwde, kreeg een zoon, en liet de twee vervolgens in de steek om goede sier te maken in Parijs. Hij raakte bevriend met belangrijke Franse schrijvers, verwaarloosde zijn werk en verbraste zijn kapitaal. Omdat hij behalve talent een buitengewoon aangenaam karakter had, werd hem onderdak geboden en werd hij onderhouden door ontwikkelde dames, die plezier hadden in zijn goedhartigheid, zijn oprechtheid en zachtaardigheid[3]. Hij was een wat dromerige man, enorm belezen, en een graag geziene gast in de literaire salon van de gefortuneerde Marguerite de Sablière (1640-1693), die hem gedurende twintig jaar onder haar hoede nam.
Behalve de immens populaire fabels schreef hij matige gedichten, opera’s, komedies en romans die inmiddels in de vergetelheid zijn geraakt.
Na haar dood kwam hij opnieuw in financiële moeilijkheden en in armoedige omstandigheden. Hij werd ernstig ziek, keerde zich tot de kerk en las de bijbel. Wellicht ook het citaat uit de brief van Paulus, waarin de apostel de gelovigen maant: ‘Wil iemand niet werken, dan zal hij ook niet eten.’[4] Hij verbrandde een toneelstuk en betreurde zijn vaak nogal obscene Vertellingen. Hij genas van zijn ziekte en werd uit medelijden in huis genomen en verzorgd door vrienden tot zijn dood in april 1695. Het vijfde deel van zijn Fabels verscheen in 1693, toen hij 73 jaar was. Voorwaar een echte krekel, een kunstenaar, die leeft voor de dichtkunst, niet denkend aan de toekomst, afhankelijk van de goedgeefsheid van zijn vrienden.
Echter, we moeten bedenken dat een krekel, net als de sprinkhaan, niet zo’n flierefluiter is als hij wordt voorgesteld. Allereerst hebben de meeste krekels slechts een korte tijd waarin ze hun kunsten kunnen vertonen. De tijd daarvoor is allemaal voorbereiding. Ze overleven vele winters als eitje onder de grond. Als ze in een voorjaar uitkomen zijn het ieniemienie krekeltjes, die wel vier tot tien keer moeten vervellen voor ze in de zomer volwassen zijn. Bij elke vervelling worden de vleugels waarmee ze uiteindelijk kunnen musiceren wat langer, tot ze eindelijk uitgegroeid zijn. De vrouwtjes kunnen dan hun eitjes leggen en om ze daartoe uit te nodigen maken de krekelmannetjes muziek door hun ene vleugel, die daartoe voorzien is van een getande richel, over de andere te wrijven. ‘Stridulatie’ heet dat. Een sprinkhaan gebruikt zijn poot als strijkstok, hij klinkt daardoor wat krasseriger. Eenmaal volwassen leven ze vaak nog 8 tot 10 weken. Op warme zomeravonden kunnen ook wij van hun gesjirp genieten. Er moet dus hard gewerkt worden om het beoogde muzikale resultaat te krijgen. Van luiheid is geen sprake.
Ook in onze grote mensenwereld moet er hard worden gewerkt voordat een kunstenaar het niveau heeft bereikt waarmee hij of zij kan optreden voor publiek. Van jongs af aan wordt er elke dag urenlang gestudeerd op het instrument, er wordt door geldschieters (meestal de ouders) geïnvesteerd in dure lessen, het hele leven is gericht op het vervolmaken van de techniek en uitvoering. Hetzelfde geldt voor andere kunstvormen, zoals dans, toneel en beeldende kunsten. Geen resultaat zonder voortdurende inzet en inspanning. Wie een schrijver dromerig door het park ziet lopen zal niet bevroeden dat zijn of haar hoofd en hart bezig zijn met een ingewikkeld conceptueel creatief proces. Voor de buitenwereld is dat niet te zien.

Geen wonder dat Aesopus in zijn fabel buurvrouw Mier als tegenhanger heeft gekozen, want aan de andere kant van het spectrum hebben we de harde werkers in mierenkolonies. In geen enkel mierenkoppie kan het opkomen om een beetje te lanterfanten of bij de pakken neer te zitten. Een mier is geboren om te zwoegen en samen te werken. Ze heeft een innerlijke drang om nuttig te zijn voor de gemeenschap door zorg voor anderen, woningbouw en wegenonderhoud, door het produceren en verzamelen van voedsel. Er is niet veel fantasie voor nodig om te bedenken wat er met het arme miertje gebeurt dat creatieve neigingen vertoont.
Tegenwoordig wordt de moraal van deze fabel vaak anders uitgelegd dan vroeger. Bij La Fontaine zijn daarvoor al de eerste tekenen aanwezig. Vroeger werd vooral de mier bewonderd, tegenwoordig kijken we kritischer naar haar gedrag. Had de mier niet iets moeten ondernemen om haar buurman van de hongerdood te redden?
In kinderfilmpjes bijvoorbeeld wordt de fabel nu zo uitgelegd dat de mieren de sprinkhaan weliswaar de winter doorhelpen, maar hem tegelijkertijd dringend adviseren om zich het volgende jaar goed voor te bereiden op de kou en het gebrek aan voedsel in de natuur. De sprinkhaan belooft dat natuurlijk. Dat het niet in zijn aard ligt om spaarzaam te zijn, plus dat hij slechts een jaar leeft, dus er volgend jaar niet meer zal zijn om zijn schuld in te lossen, wordt wijselijk buiten beschouwing gelaten.
Deze fabel gaat over de tegenstelling tussen de handarbeider en de muzikant. Of gaat het misschien over de tegenstelling tussen de verantwoordelijke mens en de klaploper, die welbewust misbruik maakt van de goedheid en de middelen van zijn buren en kennissen? Ook in dat geval kunnen we iemand die in nood is niet in de steek laten. Wel met in gedachten het spreekwoord: Al te goed is buurmans gek.
Zoals de meeste fabels is ook deze fabel een voorbeeld van een politieke kwestie, waar langdurig en diep over nagedacht kan worden om je eigen plaats te bepalen. Van vroeger tot nu hebben filosofen zich met dit onderwerp beziggehouden. Niet dat ze in het algemeen tegen kunst en schoonheid op zich waren en zijn, maar over de functie en relevantie van kunst en met name muziek bestond en bestaat nog steeds controverse.
Denk maar aan de teloorgang van de muziekscholen, de vermindering van kunstsubsidies en de jarenlange bezuinigingen in de culturele sector waardoor professionele kunstenaars steeds meer gedwongen worden ook ondernemer te zijn en expert op het gebied van sociale media, zoals TikTok, YouTube en Spotify. Of ze zijn genoodzaakt een bijbaan te nemen buiten hun vakgebied.

Aan de ene kant kunnen we ons een maatschappij zonder artistieke, literaire en architectonische tradities en ontwikkelingen niet voorstellen, en aan de andere kant moet het geld daarvoor wel ergens vandaan komen. Laten we dus vooral blij zijn dat we in onze wereld zowel krekels als mieren hebben. Want kunstenaars en publiek zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een verbinding die bijdraagt aan een goed functionerende gemeenschap en standhoudt en floreert door erkenning en waardering over en weer. Gefundeerde kritiek moet vanzelfsprekend altijd mogelijk zijn, maar dat laat onverlet dat er in nood naar draagkracht wat extra graantjes kunnen worden afgestaan.
Fabels moedigen ons aan om over deze zaken na te denken en onze eigen plaats in de wereld en het politieke spectrum te zoeken en te vinden. Door fabels te lezen en te overdenken leren we dat in de stellingname van een eeuwenoude moraal de mogelijkheid besloten ligt om het debat te verbreden en grenzen te verleggen in overeenstemming met ons gevoel en onze opvattingen in een bepaalde tijd en in een bepaalde levensfase. En dat laatste is letterlijk bedoeld, want fabels zijn niet alleen leuk en leerzaam voor de kinderen van alle tijden, ook volwassenen, jong en oud, kunnen ze inzetten als slijpsteen voor de geest.
Noten
[1] Het leven en de fabels van Esopus. Teksteditie met inleiding, hertaling en commentaar door Hans Rijns en Willem van Bentum. Hilversum: Verloren, 2016, p. 267
[2] Jean de La Fontaine (nagevolgd door J.J.L. ten Kate) – De fabelen van La Fontaine – Amsterdam, Gebroeders Binger, 1875 (?) (1e druk). Geïllustreerd met platen en vignetten door Gustave Doré. Fabel I, eerste boek, pp. 3-5.
[3] Jean de La Fontaine (nagevolgd door J.J.L. ten Kate) – De fabelen van La Fontaine – Amsterdam, Gebroeders Binger, 1875 (?) (1e druk). Geïllustreerd met platen en vignetten door Gustave Doré. Het leven van La Fontaine, p. III-X
[4] Bijbel (2 Tessalonicenzen 3:10)
